onze producten

Silverlinde is enthousiast over de werkzaamheid van de essentiële oliën bij problemen van fysieke...
Instroommodule
Nu nog starten met leerjaar 1? Het KAN. Door middel van een paar intensieve(re) aanvangsweken is het mogelijk om in...
vaccicheck
Op maandag 20 november a.s. organiseert Silverlinde Praktijk een aparte dag voor Vaccichecks (titersessie) tegen een gereduceerd tarief van 40...

winterkwalen hond

Winterkwalen bij de hond

            Reinigingskuur

            Verwarmende olie         

 

Waar vroeger de gedomesticeerde hond in veel gevallen nog buiten woonde in een ren met hok op het erf of in een stal, zijn de meeste honden nu toch binnenshuis terecht gekomen. Dat geeft meer binding met de hond en beantwoordt ook aan ons gevoel van ‘goed voor de hond zorgen’. Het is immers een prettig gevoel dat je, samen met je hond, lekker knus bij de verwarming zit als het buiten stormt en regent. Maar doen we daar werkelijk wel zo goed aan?

 

Grote verandering

Oorspronkelijk leefden de voorouders van onze huishond in het Noord-Europese klimaat, vooral buiten. De enige beschutting die het dier zocht was tegen de wind. Het lichaam van de hond, en met name de vacht, was goed toegerust voor ons klimaat. Toen de mens van een nomadenbestaan overging tot een vaste woonplaats, bleef de hond buiten wonen. Pas in de laatste honderd jaar is de mens ertoe overgegaan de hond mee naar binnen te nemen, zelfs naar de warmste plaats in de woning. Rassen werden speciaal gefokt op onder andere gezelschapseigenschappen. Bij het verfijnen van de rassen werd over het algemeen echter zeer weinig rekening gehouden met de fysieke aanpassingen die nodig waren voor het type leven waarin we het nieuwe ras wilde laten deelnemen. In de meeste gevallen wordt bij de fokinvloeden rekening gehouden met uiterlijk (moet mooi zijn) en met karakter (moet passen bij het huidige gebruiksdoel), maar niet met fysieke aanpassingen aan het nieuwe leven. Dit levert vaak merkwaardige situaties op: een Duitse Dog past qua karakter in principe redelijk gemakkelijk in ieder gezin. Alleen kan deze qua fysieke eigenschappen echt niet zonder voldoende ruimte om te bewegen. Een ander voorbeeld: een berner sennenhond. Deze hond is over het algemeen ook een goede gezinshond, maar qua beharing is dit dier slecht af in een centraal verwarmd huis. En zo zijn er nog veel meer voorbeelden te noemen. De twee kernpunten van fysieke problemen liggen bij het gebrek aan, of onregelmatige beweging enerzijds en slechte leefomstandigheden voor de huid anderzijds. Tijdens de wintermaanden worden deze terreinen wat sterker belast, omdat de centrale verwarming een aanslag doet op de huid en de baas simpelweg minder buiten beweegt dan gedurende de zomermaanden.

 

Huidproblemen

Al eerder is besproken wat we kunnen doen aan huidproblemen. In veel gevallen kan een reinigingskuur al (een deel van) de oplossing bieden. In andere gevallen moet er absoluut met maatregelen worden gewerkt. Met name de huidklachten ten gevolge van het droge en te warme klimaat, veroorzaakt door de centrale verwarming, vragen om maatregelen. Net als wij mensen is een hond ingesteld op het zo zuinig mogelijk omgaan met energie. Dit betekent, dat het dier zo dicht  mogelijk bij de warmte zal kruipen om geen energie te verliezen aan het op temperatuur houden van zijn lichaam. In de natuur betekent deze energiebesparende handeling echter een plaats in de zon en uit de wind. In ons huis betekent dit: zo dicht mogelijk bij de radiator. Hoewel voor de hond zonne- of radiatorwarmte dus hetzelfde lijkt, is dit in werkelijkheid heel verschillend. De verwarming die door de radiotor wordt afgegeven is een directe warmte en geen stralingswarmte, zoals de zon. Bovendien, zo weten we allemaal, is een centraal verwarmde ruimte een droge ruimte. De luchtvochtigheid is vele malen lager dan de normale luchtvochtigheid waarop de hondenhuid is ingesteld. Zijn huid en vacht zijn hier dus niet tegen bestand.

 

Minder beweging

Dan speelt er nog een ander aspect een rol: honden die voortdurend buiten zijn, passen zich aan de lagere temperaturen aan. Honden die altijd binnen zijn en slechts kort buiten komen om uitgelaten te worden, moeten een aanpassing zien te vinden voor de temperatuurswisselingen. Door warmte te verkrijgen van een bron buiten het lichaam, wordt de warmteverstrekker in het lichaam minder effectief. Een hond kan niet net als wij een jas aan- en uittrekken. Het gevolg is dat hij gemakkelijk kouwelijk wordt en weinig zin heeft met koud en nat weer naar buiten te gaan. Doordat hij niet echt zin heeft, en zijn baas eigenlijk ook niet, worden de uitlaatrondjes steeds kleiner. De beweging wordt hierdoor minder. Maar zoals we allemaal wel weten, zal juist een stevige beweging het ‘kacheltje’ van het lichaam weer opstoken en warmte leveren. Maar vergeet ook niet dat door minder beweging er minder doorstroming is, waardoor aanvoer van gezonde stoffen en de afvoer van afvalstoffen verminderen. Dit kan leiden tot huid- en/of ademhalingsklachten en op termijn tot klachten van het bewegingsapparaat, omdat de spieren, pezen en gewrichten onvoldoende voeding en training krijgen. En last but not least, minder beweging betekent vaak ook minder aandacht. Dat is niet prettig voor de hond aangezien het voor hem belangrijk is het gevoel te hebben dat hij er als ‘roedellid’ bij hoort en belangrijk voor je is.

 

Voedsel

In het verlengde van de hoeveelheid beweging ligt de voedselbehoefte. In de zomer is over het algemeen de hoeveelheid beweging door de week heen, redelijk stabiel. In de winter is dat anders: dan blijkt vaak dat er bijvoorbeeld alleen in het weekend een stevige(re) wandeling met de hond wordt gemaakt. In dit geval zou de hond vijf dagen per week meer voedsel kunnen krijgen dan hij verbruikt. Het gebeurt dan ook niet zelden dat honden in de loop van de winter behoorlijk in gewicht toenemen. Let dus goed op: beweegt de hond gedurende de week minder dan in de zomer, dan kan het zijn dat het rantsoen iets moet worden aangepast. Maar tegelijkertijd kan het zijn dat de hond, indien zijn slaapplaats niet te warm is, meer voedsel verbrandt om op temperatuur te blijven. In dat geval moet er niet beperkt worden op rantsoen. Helaas is het zo dat tegenwoordig alles in schema’s is gezet. We zijn zonder onze schema’s, waarin wordt aangegeven hoeveel brok een hond van een bepaalde leeftijd, hoogte en gewicht moet krijgen, een beetje onthand. En dat is jammer, want deze schema’s zijn voor de algemene hond gemaakt en de algemene hond bestaat niet. En geen hond is dezelfde. Enerzijds niet omdat iedere spijsvertering anders verloopt met betrekking tot inspanning en ontspanning, maar ook omdat ieder hondenleven weer anders verloopt met betrekking tot ontspanning en inspanning. Het aanhouden van een voerschema is dus niet verkeerd, maar probeer en leer om steeds meer op het oog te voeren en het schema slechts een indicatie te laten zijn in plaats van een wet!

 

Wat te doen?

Geef je hond een slaapplaats die zo min mogelijk warmte geeft, dus niet in nabijheid van een kachel of radiator. Probeer ook de luchtvochtigheid in huis positief te beïnvloeden (door verdampingsbakjes op of aan de radiator). Vermijd tocht, want een hond is hier niet goed tegen opgewassen en hij zoekt hierdoor de warme radiator nog eerder op. Let hierbij ook op dat de bodem van het hondenbed niet te koud is (dus mand van de grond of een dik hondenkussen). Zorg ook voor voldoende beweging en wel verschillende keren per dag. Ook tijdens de winterdag. Dit is niet alleen fysiek goed voor de hond, maar ook mentaal: hij krijgt dan meer aandacht. Zorg voor afgepast eten, dus goed op het oog voeren. Zorg daarnaast voor iets extra verwarmends door het eten bij heel bar weer. Dat doen wij mensen ook: we gebruiken meer vet en dergelijke tijdens de koude wintermaanden om maar meer warmte te kunnen produceren. Voor zeer kouwelijke dieren kan een druppeltje essentiële olie van gember per week al veel extra warmte brengen!

 

Oudere honden

Oudere, strammere honden krijgen meer last tijdens de vochtige maanden. Een massage met een combinatie van essentiële oliën die warmte geven en de doorbloeding stimuleren zoals Siltrose kan veel soelaas bieden. Het langzaam opbouwen van beweging bij deze oudere dieren betekent: eerst lichte massage, eventueel met essentiële oliën, daarna rustig beginnen met wandelen, slenteren desnoods, en binnen niet te lange tijd (5 minuten) het tempo opvoeren. Door de massage is de aanvang wat minder moeizaam, ben je sneller op het tempo aangeland en produceert het dier voldoende eigen warmte. Blijft hij door zijn stramheid te lang langzaam bewegen, dan wordt hij steeds kouder en dus steeds strammer. Het plezier van uitgaan is dan snel verdwenen.